“Mijn ouders spreken dialect met elkaar, maar mijn broer en ik spreken Nederlands”, vertelt Eline Schmeets. “Dus er loopt zelfs een grens door ons huishouden, bij wijze van spreken.” Wat vertellen alledaagse verhalen over het leven in de grensregio ons over Europees erfgoed en Europese identiteit? Onderzoekers Joep Leerssen, Christoph Brüll, Irene Portas Vásquez, Akudo McGee en Eline Schmeets beantwoorden die vraag door verhalen te verzamelen uit de regio rond Maastricht, Aken en Keulen. Allemaal zijn ze het erover eens: “De grensregio heeft iets bijzonders.” Ontdek waarom in twee korte verhalen, of bekijk de paneldiscussie, georganiseerd door postdoc Nicole Basaraba.

1. Een slecht bewaakte grens: een verhaal over slaapgebrek

“Tegenwoordig zien we douaneambtenaar als een prima betaalde baan”, zegt Irene Portas Vásquez, promovendus bij het Centrum voor Hedendaagse en Digitale Geschiedenis van de Universiteit van Luxemburg. “Maar vanaf het interbellum tot de jaren zeventig verdienden douanebeambten in de grensregio heel weinig. Ze reden niet in  grote patrouillewagens, maar patrouilleerden te voet langs de grens, zowel in de winter als in de zomer. Van tevoren mochten ze niet weten waar ze zouden patrouilleren, want dat zou corruptie in de hand werken.  Ze sliepen in erbarmelijke omstandigheden. Er zijn veel verhalen over douanebeambten die boos zijn over de omstandigheden waarin ze moesten werken.” 

Het is een voorbeeld van wat Vásquez een ‘microgeschiedenis’ noemt; een klein, alledaags verhaal dat ons helpt grote Europese kwesties, zoals migratie, beter te begrijpen. “In eerste instantie denk je; waarom zou ik veel tijd besteden aan douanebeambten in de jaren ‘50? Maar door hun persoonlijke verhalen te bestuderen, begin je beetje bij beetje te begrijpen dat de grens niet goed bewaakt werd, juist vanwege de situatie waarin deze individuen zich bevonden.”

 “De normale verhalen over het dagelijks leven is waar Europese integratie over gaat”

“Ik denk dat dit het perfecte voorbeeld is van hoe een klein, hyperlokaal iets waar misschien niemand aan denkt, leidt tot een heel groot probleem, zoals slecht bewaakte grenzen”, voegt Akudo McGee, promovendus bij Studio Europa Maastricht, toe. “Dit soort normale verhalen over het dagelijks leven is waar Europese integratie over gaat.”

Dat is niet alleen de overtuiging van Akudo – alle onderzoekers in het panel richten zich op de dagelijkse ervaringen van mensen in voormalige industriële regio’s in Frankrijk, Luxemburg, België, Nederland en Duitsland. De regio’s hadden te maken met vergelijkbare uitdagingen, zoals het verdwijnen van de mijnbouw en veranderende grenzen als gevolg van beide wereldoorlogen. In een gebied dat wordt gekenmerkt door zulke grote historische verschuivingen, is het een uitdaging om de kleine, persoonlijke verhalen te vinden. 

“Ik ontdekte dat in geschiedschrijving over industriële regio’s dingen vaak worden gekwantificeerd”, zegt Vásquez. “Hoeveel ton ijzer wordt er gewonnen, hoeveel overuren hebben arbeiders gemaakt?” Die benadering sluit een groot deel van ons dagelijks leven uit, stelt Vásquez. “De vragen ‘Hoe voelde dat voor mensen? Hoe was het om aan het werk te gaan?’ worden niet besproken.” Hoe kunnen onderzoekers die alledaagse verhalen opgraven en afstoffen? Vásquez: “Door te praten met de lokale bevolking. Het mooie daarvan is dat je elkaar niet een keer spreekt, maar echt een relatie met elkaar opbouwt.” Joep Leerssen, hoogleraar transnationale geschiedenis en cultuur in Limburg, vult aan: “Niet alleen herinneringen helpen ons hierbij. Er is ook materiële cultuur.”

2. Branden blussen over de grens, het verhaal van een koppelstuk

Dat weet promovendus Eline Schmeets als geen ander. “Ik spreek niet zo vaak met mensen, maar ik kijk wel naar objecten”, bevestigt Schmeets. Ze is net klaar met veldwerk in de Nieuwstraat / Neustrasse, een straat die door Kerkrade en het Duitse Herzogenrath loopt. “Zo kwam ik onlangs een object tegen, een koppelstuk voor een brandslang waarmee Nederlandse brandweerlieden hun brandslang in Duitsland kunnen gebruiken en vice versa.”

Aken

Mensen in de buurt, vertelt Schmeets, beweren altijd dat het koppelstuk hun uitvinding is. “Dus ging ik naar een brandweerhistoricus en vroeg hem: is het waar? Was het Nieuwstraat / Neustrasse-gebied de eerste plek waar zo’n koppelstuk werd gebruikt? Hij liep even weg en kwam terug met een doos vol koppelstukken, van langs de hele Nederlands-Duitse grens. ‘Nee, natuurlijk waren ze niet de eersten!’, zei hij.” 

Na de ontmoeting met de historicus bezocht Schmeets meer brandweerkazernes aan de grens. “Ik hoorde hoe brandweerlieden worstelen met regels en voorschriften die over de grens verschillen, en hoe het Nederlandse systeem is gebaseerd op het Duitse systeem, waardoor Duits-Nederlandse samenwerking gemakkelijker is dan Belgisch-Nederlandse samenwerking.” Die verhalen staan voor een groter fenomeen, denkt Schmeets.

“Elk jaar zijn er Europese brandweerconferenties, waarna rapporten vol fantastische inzichten worden geschreven. Maar er verandert eigenlijk niets. De brandweerlieden komen dus zelf met oplossingen die nergens worden geregistreerd. Ze zeggen: ‘Wij zijn mensen, als we aan de overkant van de straat een huis zien afbranden, wachten we niet tot de wetten in orde zijn, we gaan helpen.’ Vaak vertellen ze me: ‘Hé , wat ik je nu vertel is off the record, want wat we doen is in feite illegaal’. Zulke voorbeelden van burgerlijke ongehoorzaamheid zijn zeer informatief voor hoe het Europese integratieproces zou kunnen verlopen. “

“Als we alle culturele, immateriële aspecten die een rol spelen in het integratieproces niet zien, zal het op een gegeven moment mislukken”

Hoewel het koppelstuk water over de grens laat stromen, zijn daarmee niet alle problemen opgelost. “Het echte probleem dat dit voorbeeld aan het licht brengt, is niet infrastructureel, maar cultureel”, zegt Schmeets. “Tegenwoordig moeten de brandweerlieden een woordenboek gebruiken als ze over de grens werken, omdat ze het regionale dialect niet meer spreken. Ze groeien vaak op met alleen Nederlands. Het bedenken van een infrastructurele oplossing is een snel proces, maar een dialect weer in gebruik nemen of beslissen in welke taal we onze gedachten delen, dat lossen we niet van de ene op de andere dag op. Als we al die culturele, immateriële aspecten die een rol spelen in het integratieproces niet zien, denk ik dat het op een gegeven moment zal mislukken.”

“Mensen in Maastricht zeiden echt niet: ‘Oh ja, wij horen bij Nederland’”

De verschillende talen en dialecten in het grensgebied zijn een uitdaging voor alle onderzoekers. Christoph Brüll, assistent-professor bij de Universiteit van Luxemburg, maakte een digitale expositie over de geschiedenis van Oost-België, een gebied waar mensen als Duitsers gingen slapen en de volgende dag als Belg wakker werden door oorlog en conflict. “Het meest gecompliceerde deel van de website was niet de inhoud, maar de taalkwestie”, vertelt Brüll. Het team vertaalde de tentoonstelling in het Duits, Nederlands, Frans en een taal die in de regio nauwelijks wordt gesproken – Engels. “Soms bestonden de woorden voor wat we daar wilden uitdrukken niet in het Engels.”

“Die taalgrenzen worden diep gevoeld in de regio”, vult McGee aan. “Je kunt in hetzelfde land zijn en afhankelijk van in welk gebied, in welke buurt of zelfs bij welke bushalte je uitstapt, een andere taal en ander dialect horen.  Dat zorgt ook voor een sociale grens. ‘Oh, deze persoon komt niet van hier, dus nu spreek ik Nederlands met ‘m.’” Schmeets is het daarmee eens. “Mijn ouders spreken dialect met elkaar, mijn broer en ik Nederlands. Dus er loopt zelfs een grens door ons huishouden, bij wijze van spreken. “

“Mensen in de grensregio zullen altijd beseffen dat het nationale verhaal niet voor hen is”

Kortom, de grensregio zal de belangstelling van alle onderzoekers blijven trekken. Leerssen: “Grensregio’s hebben iets bijzonders. Meestal is een regio een onderdeel van een nationaal geheel. Ben je in Bourgondië, dan ben je in een bepaald deel van Frankrijk waar de regionale kenmerken overeenkomen met die van de natie, van Frankrijk. Dat is niet het geval in grensregio’s.”

Die regio’s worden gekenmerkt door een neiging tot verzet. “Er waren steden als Maastricht, Aken, Keulen, Luik, die op zichzelf belangrijk waren en plotseling marginaal werden in de staten die in de negentiende eeuw ontstonden. Mensen in Maastricht en Aken zeiden echt niet: ‘Oh ja, wij horen bij Nederland, of bij Duitsland’. Je krijgt dus een soort gevoel van uitzonderlijkheid. Mensen hier zullen altijd beseffen dat het nationale verhaal niet voor hen is en de grote verhalen van historici in twijfel trekken. Dat maakt grensregio’s heel anders.” Nicole Basaraba, organisator van het panel, concludeert: “Daarom zijn grensregio’s zo’n interessante plek om na te denken over de Europese identiteit en erfgoed.”

Dit panelgesprek vond plaats als onderdeel van Nicole Basaraba’s postdoctorale project “Erfgoed, identiteit en het burgerperspectief” bij Studio Europa Maastricht. Meer horen van onderzoekers in de grensregio? Bekijk hier de hele paneldiscussie.

Leave a Reply