Expertinterview: Christine Neuhold over de Nederlandse verkiezingen en de macht van nationale parlementen in Europa. “Nederland maakt deel uit van de Europese Unie, dus Nederlandse politieke partijen hebben een strategie voor de EU nodig, net zoals ik een strategie nodig heb als universitair decaan.” Christine Neuhold, onlangs benoemd tot decaan van de Faculty of Arts and Social Sciences van Maastricht University beantwoordt de vragen van Studio Europa Maastricht vanuit haar slaapkamer. De interviewer stelt haar vragen middenin haar corona-quarantaine. “Het enige goede aan de coronacrisis is dat we de ‘m samen doormaken. We’re all in this together”, zegt Neuhold lachend.

Met minder dan twee weken te gaan tot de Nederlandse verkiezingen is Neuhold de juiste persoon om mee te praten over de relatie tussen het Nederlandse parlement en de EU. Voor haar academische onderzoek interviewde ze Nederlandse parlementariërs over hun invloed op Europese zaken. Ze vroeg hen: hoe kunnen nationale parlementen invloed uitoefenen op wat er in Brussel en Straatsburg gebeurt? En willen ze dat wel?

Als ze naar Nederlandse verkiezingscampagnes kijkt, ziet ze een nadruk op binnenlandse kwesties. “Corona overschaduwt alles tijdens deze verkiezingen. Hot topics zoals de avondklok zijn op zichzelf geen Europese vraagstukken, althans niet op dit moment.” Gedurende dit interview en in haar academische werk gebruikt Neuhold metaforen om de complexe Europese vraagstukken te begrijpen. “De binnenlandse focus van de verkiezingscampagne in Nederland is logisch. Als je huis in brand staat, probeer je allereerst daar het vuur te blussen.”

“De bril waardoor Nederlanders naar hun verkiezingen kijken, blijft voorlopig Nederlands.”

Maar critici vinden dat de EU te weinig serieus wordt genomen door Nederlandse politieke partijen. Sommigen noemen de EU zelfs de olifant in de kamer tijdens deze campagne. Neuhold herkent de kritiek uit debatten in haar geboorteland Oostenrijk. “Over het algemeen is Europese integratie nog steeds een kwestie van ondergeschikt belang bij nationale verkiezingen, simpelweg omdat binnenlands beleid nog steeds zo belangrijk is. De bril waardoor Nederlanders naar hun verkiezingen kijken, blijft voorlopig Nederlands.”

Photo: Moniek Wegdam

Ondertussen gaan ook hele andere geluiden op, namelijk van critici die vinden dat politieke partijen zich juist helemaal níet bezig moeten houden met de EU. Het argument is dat de EU drijft op een dobber van pragmatisme, nauwgezette compromissen en ‘kicking the can down the road’, niet op grootse ideeën over Europese samenwerking. “Dit is iets waar je echt een debat over kunt voeren”, zegt Neuhold. “Maar ik vind dat Nederland als EU-lid politieke partijen moet hebben met ideeën over hoe Europese integratie vorm moet krijgen. Het hoeven geen uitgewerkte plannen te zijn, maar partijen hebben een visie nodig, een hoofdlijn, net als ik als rector. Mensen zeggen dat niemand partijprogramma’s leest, maar ze zijn de blauwdruk voor het beleid dat ons allemaal aangaat.”

Nationale parlementen: slachtoffers van Europese integratie

De relatieve stilte over de EU in de Nederlandse campagnes is niet geheel verrassend. In de academische literatuur worden nationale parlementen immers beschouwd als ‘slachtoffers’ of ‘laatkomers’ van de Europese integratie. Neuhold legt de oorsprong van die labels uit: “Het idee is dat het voor nationale parlementen moeilijk is om controle uit te oefenen over Europese zaken, zowel over wat hun eigen regering doet op EU-niveau als over instellingen zoals de Europese Commissie. Bovendien heeft het Europees Parlement zoveel bevoegdheden gekregen dat de nationale parlementen aan invloed inboeten, stellen sommigen.”

Discussies over de beperkte rol van nationale parlementen woeden al sinds het Verdrag van Maastricht, schat Neuhold, maar de kwestie werd pas later door academici opgepikt. Neuhold wordt beschouwd als een van de belangrijkste deskundigen op dit gebied en bestudeerde onlangs de invloed van nationale parlementen op zogenaamde trialogen. Tijdens deze informele bijeenkomsten ‘pre-onderhandelen’ het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over een wetsvoorstel en bereiken ze vaak al een consensus.

“We zien voortdurend soort informele bijeenkomsten ontstaan op EU-niveau; nood maakt vindingrijk.”

Interessant is dat het kader voor deze bijeenkomsten in geen van de EU-verdragen is vastgelegd. “Ik heb het altijd beschouwd als een voorbeeld van het gezegde ‘nood maakt vindingrijk’”, zegt Neuhold. “Het Verdrag van Maastricht bevat clausules over onderhandeling tussen de drie instellingen op een veel grotere schaal. Maar toen realiseerde men zich: ‘Dit is te groot, we moeten in kleiner comité alvast vooraf onderhandelen’. We zien voortdurend dit soort informele bijeenkomsten ontstaan op EU-niveau. Politieke praktijk gaat nu eenmaal vooraf aan wettelijke regels.” Maar hoe komen de nationale parlementen erachter wat tijdens deze bijeenkomsten wordt besproken, als ze soms niet eens weten wanneer die plaatsvinden?

Blaffen naar Brussel: kunnen de nationale parlementen Europese besluitvorming beïnvloeden?

“Toen ik de trialogen begon te onderzoeken, had ik een beeld in m’n hoofd van een kennel met drie honden – de Commissie, het Parlement en de Raad – en nationale parlementen die probeerden terug te blaffen als een waakhond, probeerden in te breken en te zien wat er gebeurt in Brussel ”, zegt Neuhold. Het Verdrag van Lissabon van 2009 gaf de nationale parlementen immers meer ruimte om te onderzoeken en te corrigeren op EU-niveau gebeurt.

Maar Neuholds conclusie uit een gedetailleerd onderzoek naar haar twee thuislanden – Nederland en Oostenrijk – is dat nationale parlementen weinig mogelijkheden zien om hun stempel te drukken op trialogen. “We zien dat de nationale parlementen het hebben geprobeerd, maar hebben geleerd dat het moeilijk is om informatie over trialogen te krijgen, en nóg moeilijker om ze te beïnvloeden”, concludeert Neuhold.

“Het enige dat we als academici kunnen doen, is proberen de EU meer verantwoording te laten afleggen.”

Critici vinden dat deze informele bijeenkomsten de legitimiteit van de EU schaden. Moeten we de verdragen wijzigen en de trialogen formaliseren? Onmogelijk, zegt Neuhold. “De grote mate van informaliteit van deze bijeenkomsten is een voldongen feit, een uitgemaakte zaak, althans op de kortere termijn. Het enige dat we als academici kunnen proberen, is om te proberen de EU meer verantwoording te laten afleggen”, stelt Neuhold.

Die conclusie komt overeen met die van de Europese Ombudsman, die in 2016 schreef: “Informatie over trialogen is informatie over hoe de wetten die het leven van meer dan 500 miljoen burgers regelen uiteindelijk worden aangenomen. Als burgers effectief willen deelnemen aan het democratische leven van de Europese Unie (…) hebben ze toegang tot deze informatie nodig. (…) Dit raakt de kern van de legitimiteit van de EU-wetgeving.”

Het Verdrag van Lissabon: geen knip voor de neus waard?

Misschien hebben nationale partijen dus gelijk dat ze de EU grotendeels negeren in hun verkiezingscampagnes,  omdat ze voorlopig toch geen invloed kunnen uitoefenen op wat er in Brussel gebeurt? Anders gezegd: is de belofte van het Verdrag van Lissabon van meer macht voor de nationale parlementen nog wel iets waard? Neuholds antwoord is genuanceerd. “Niemand wist wat het Verdrag van Lissabon zou brengen voordat het werd geïmplementeerd. De praktijk moest het leren. We kunnen nu een weloverwogen oordeel vellen en zien dat zowel de optimisten als de pessimisten gelijk hadden over Lissabon.” Weer helpt een metafoor haar. “Het glas is halfvol en halfleeg. Het nadeel van trialogen is dat de legitimiteit gering is, maar de voordelen zijn dat de instellingen een consensus bereiken, het proces efficiënt is en dat ze onderling vertrouwen opbouwen.”

“Als je toch weet dat documenten lekken, maak ze dan gewoon openbaar!”

Er zijn echter gewoonten in Brussel die Neuhold liever vandaag dan morgen zou uitbannen. “Een groot probleem met trialogen is absoluut het gebrek aan transparantie over de bereikte consensus. De meeste instellingen publiceren hun uitgangspositie, maar het compromis dat ze bereiken is erg moeilijk in te zien. ” Ze pakt haar telefoon en zwaait ermee naar de camera. “Maar het is tegenwoordig gemakkelijk om dingen te lekken; iedereen heeft een telefoon. In onze interviews met Nederlandse parlementariërs zeiden ze dat ze de conclusies vaak hebben, maar dat ze er niets mee kunnen doen, omdat ze hun bron niet kunnen onthullen ”, legt Neuhold uit. Gepassioneerd: “Als je toch weet dat documenten lekken, maak ze dan gewoon openbaar! Op dat punt is het glas niet halfvol – het is gewoon leeg!”

 

Christine Neuhold is hoogleraar EU-democratisch bestuur aan Maastricht University (UM). Ze onderzoekt hoe regeringen verantwoording afleggen en heeft een bijzondere interesse in de rol van nationale parlementen in Europese besluitvorming. Afgelopen september werd ze decaan van de Faculty of Arts and Social Sciences (FASoS)  van de Universiteit Maastricht.

 

Europese samenwerking in de Tweede Kamer

Wat kan het Nederlandse parlement doen om de Europese besluitvorming te beïnvloeden? Op 8 maart bespreken vicevoorzitter van de Commissie Europese Zaken Salima Belhaj (D66) en lid van de Commissie Europese Zaken Martijn van Helvert  (CDA) deze vraag. Klik hier voor meer informatie over het evenement en de livestream!

 

Dit is het eerste interview in het tweede seizoen van onze interviewreeks over actuele zaken in Europa. Lees hier de eerdere interviews.

 

Leave a Reply